Geschiedenis

kroniek RDO

Kroniek van de Duitsche Orde, ca. 1490 | Collectie RDO

De geschiedenis van de Ridderlijke Duitsche Orde Balije van Utrecht (RDO) gaat meer dan acht eeuwen terug. De Orde is in 1190 ontstaan tijdens de Derde Kruistocht. De Duitse keizer Frederik Brabarossa  riep zijn ridders op om Jeruzalem te heroveren. Jeruzalem, een heilige stad voor christenen, joden en moslims, was tijdens de Eerste Kruistocht (1096-1099) veroverd, maar in 1187 weer verloren gegaan. Een nieuwe kruistocht moest de stad weer terugbrengen in christelijke handen.

Beleg van Akko
Beleg van Akko | Bibliothèque Municipale de Lyon

De Derde Kruistocht
Tijdens de lange tocht kwam Frederik Babarossa om het leven, maar uiteindelijk bereikten de kruisvaarders het Heilige Land. Als eerste werd de havenstad Akko belegerd. Velen sneuvelden en gewonden lagen te kermen op het strand. Kooplieden uit Bremen en Lübeck ontfermden zich over hen en bouwden een veldhospitaal onder de zeilen van hun schepen. De eerste taak van de daaruit gegroeide instelling was de verzorging van zieke en gewonde pelgrims en ridders uit het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie. Pelgrims kregen ook de mogelijkheid om in de eigen taal te biechten, bij priesters. De pelgrims en zieken kregen bescherming van ridders, die ook een tweede taak op zich namen: de strijd om het Heilige Land. Ridders en priesters vormden samen een geestelijke ridderorde: de Orde van het Hospitaal van St Marie der Duitsers in Jeruzalem, kortweg Duitsche Orde. Deze Orde streed eerst in het Heilige Land, maar later ook in Oost-Europa (Transsylvanië en het Oostzeegebied), om het christelijk geloof te verdedigen en te verbreiden. Net als de andere geestelijke ridderorden, de Tempeliers en de Johanniters, stond de Duitsche Orde onder leiding van een grootmeester. Aan de Oostzee vormde de Duitsche Orde een eigen staat, Pruisen en Lijfland. Deze staat besloeg ongeveer het huidige gebied van Estland, Letland, een stukje Litouwen, de Russische enclave Kaliningrad en delen van Polen.

De groei van het orde bezit 
In Europa werd het werk van de Orde enthousiast ontvangen en werden uitgebreide schenkingen gedaan. Deze bezittingen lagen grotendeels in het Heilige Roomse Rijk, maar ook in Frankrijk, Spanje en Zuid-Italië (Apulië en Sicilië). Het Heilige Roomse Rijk was veel groter dan het huidige Duitsland. Ook de Noordelijke Nederlanden hoorden hierbij. In 1231 schonken ridder Sweder van Dingede en zijn vrouw Beatrix aan de Orde een stuk land, net buiten de stadsmuren van Utrecht, om daar een eigen huis te stichten van waaruit ridder- en priesterbroeders hun werk konden doen.

geschonken land buiten de muren
Het door Steven van Dingende geschonken land buiten de muren | Collectie RDO

De Europese bezittingen hadden als voornaamste doel om de strijd van de Orde voor het geloof te steunen. Uit de opbrengsten ging een deel naar de grootmeester. Op lokaal vlak stonden verpleging en zielzorg door Ordepriesters centraal. Aan het einde van de middeleeuwen vond een verschuiving plaats. De opbrengsten dienden steeds meer als levensonderhoud voor de leden.

De organisatie van de Orde was een piramide met de grootmeester aan de top, onder hem de Duitsmeester, de landcommandeurs in de balijen en tenslotte de commandeurs en ridders. Een commanderij was een plaatselijk huis met een kerk en landbezit. Een aantal commanderijen vormden een balije onder leiding van een landcommandeur. De bezittingen in de Lage Landen stonden eerst onder gezag van een Meester der Nederlanden, die meestal in Biesen resideerde. De commanderijen in de Noordelijke Nederlanden vormden vanaf de veertiende eeuw een eigen Balije van Utrecht.

Grootmeester
Grootmeester Konrad van Thüringen, Duitsmeester Bodo van Hohenlohe en de Utrechtse commandeur Anthonis van Printhagen genaamd Ledersack in aanbidding voor het kruis. | Collectie RDO

Rond 1400 stond de Duitsche Orde op het toppunt van haar macht. Dat riep tegenkrachten op. Polen voelde zich bedreigd. Omdat alle volkeren in het Baltische gebied inmiddels tot het christendom waren overgegaan, viel de kruistochtgedachte weg. In 1410 stond het leger van de grootmeester bij Tannenberg tegenover een Pools-Litouwse macht en leed een verpletterende nederlaag. Daarna zetten de neergang in. In 1457 verloor de Orde het hoofdkasteel, de Marienburg (nu Malbork in Polen). De grootmeester verplaatste zijn zetel naar Koningsbergen (nu Kaliningrad). In 1525 ging de toenmalige grootmeester, Albrecht van Brandenburg, over tot het protestantisme en maakte van het resterende Ordeland Pruisen een eigen hertogdom Pruisen, als leen van de Poolse koning. Keizer Karel V gaf nu leiding over de Orde aan de Duitsmeester, die zetelde op de burcht Mergentheim in Zuid-Duitsland.

De Marienburg in Pruisen
De Marienburg in Pruisen | Collectie RDO

Het Duitsche Huis binnen de muren van Utrecht
Ook de Balije van Utrecht bereikte rond 1400 haar grootste omvang. Na de verwoesting van het oorspronkelijke Duitsche Huis door de graaf van Holland bij het beleg van de stad in 1345 verhuisde de landcommanderij naar de Springweg binnen de muren van de stad. Het gebouwencomplex omvatte een kerk, een hoofdhuis met kapittelzaal, een landcommandeurswoning en tal van bijgebouwen. In de kerk droeg de Ordepriester de mis op.

3D constructie Duitsche Huis ca. 1475
3D reconstructie van het Duitsche Huis te Utrecht, situatie ca. 1475 | Daan Claessen, Sectie Erfgoed Gemeente Utrecht

Missaal geschonken door landcommandeur Johan van de Sande, ca. 1415
Missaal geschonken door landcommandeur Johan van de Sande, ca. 1415 |
Collectie Vereeniging voor Overijsselsch Regt en Geschiedenis langdurig bruikleen aan de RDO

De Balije van Utrecht in de vijftiende eeuw
De Balije van Utrecht in de vijftiende eeuw | Hans Mol

Vanuit Utrecht beheerde de landcommandeur de inmiddels sterk uitgebreide Ordebezittingen in de Noordelijke Nederlanden. De Balije van Utrecht telde uiteindelijk vijftien commanderijen,. Vanuit Utrecht werden ridders uitgezonden voor de strijd tegen de vijanden van het christendom, eerst in het Heilige Land, daarna in het Oostzeegebied en tenslotte op de Balkan, waar de Turken oprukten. Dat duurde tot de vroege zeventiende eeuw. In die jaren verschoof het perspectief. Tijdens de Tachtigjarig Oorlog was het Huis Habsburg de vijand. Daartoe behoorden de Spaanse koning en de Duitse keizer, maar ook diverse grootmeesters. De Staten van Utrecht vonden dat de Balije van Utrecht protestants moest worden en niet langer mocht gehoorzamen aan de katholieke grootmeester. Er waren geen Ordepriesters meer en de ridders waren, na een overgangsperiode, het protestantisme toegedaan. Zij mochten voortaan ook gehuwd zijn. Dat betekende een breuk met de centrale Orde en de grootmeester in Mergentheim. Herenigingspogingen liepen op niets uit.

Het Ordebezit in Maasland. Het kaartboek van Jan de Potter, 1570.
Het Ordebezit in Maasland. Het kaartboek van Jan de Potter, 1570 | Collectie RDO

Ingrijpende veranderingen
In de zeventiende en achttiende eeuw bestond de Balije van Utrecht voort als een adellijke instelling. Het beheer van de rijke bezittingen en het profijt daarvan voor de leden waren nu het voornaamste doel. Voor het lidmaatschap werden edellieden op jonge leeftijd aangemeld. Kwam er een plek vrij, dan moest degene die aan de beurt was, bewijzen van adellijke afstamming en van gereformeerde doop en belijdenis tonen. Een kwartierstaat met vier adellijke grootouders was het toelatingsdocument. Met een ledenbestand van protestantse, gehuwde edelen veranderde de landcommanderij van functie. Het gebouwencomplex was geen leefgemeenschap meer. De kerk kwam buiten gebruik te staan en raakte in verval. Bij de grote storm die Utrecht in 1674 trof, stortte het gebouw in. De rest van het complex kwam er goed vanaf.  Eens in de drie, vier jaar vergaderde het kapittel (de commandeurs en de landcommandeurs). De landcommandeur had een woning in het Duitsche Huis, maar verbleef er zelden. Alleen de rentmeester was er altijd, wanneer hij althans niet op weg was om pachtboeren te controleren.

Kwartierstaat van Caspar Anthony van Haersolte, 1762.
Kwartierstaat van Caspar Anthony van Haersolte, 1762 | Collectie RDO

Aan het begin van de negentiende eeuw kwamen er nieuwe dreigingen. Lodewijk Napoleon, de koning van Holland, confisqueerde het Duitsche Huis in 1807, waarna het een militair hospitaal werd. Vier jaar later hief zijn broer, keizer Napoleon, de Balije van Utrecht op en nam alle bezittingen in beslag. Koning Willem I draaide het opheffingsbesluit in 1815 terug en restitueerde het grootste deel van de bezittingen. Het Duitsche Huis bleef echter in handen van de overheid. De Balije kocht een andere vergaderlocatie, aan de Hofpoort bij de Nieuwegracht. Toen het militair hospitaal in de jaren 1980 verhuisde, kreeg de RDO de kans om het oude huis terug te kopen. Het kapittel besloot dit slechts voor een gedeelte van het complex te doen: de landcommandeurswoning, de resten van de Ordekerk en enkele bijgebouwen rond een binnenplaats. Het oude hoofdhuis en een vleugel uit de negentiende eeuw werden een hotel-restaurant, Karel V, genoemd naar de meest prominente gast, die het huis ooit bezocht heeft.

Na een grondige restauratie vond in 1995 de plechtige ingebruikneming plaats. Vanuit dit huis zet de Balije van Utrecht haar oude traditie van hulpverlening aan zieken en zwakkeren voort.  Deze doelstelling is in de loop van de twintigste eeuw weer sterk naar voren gekomen. Daarnaast steunt de RDO wetenschappelijk onderzoek en cultuurhistorische projecten die een directe relatie met de Ordegeschiedenis hebben.

Afbeelding Duitse Huis
Het Duitsche Huis

Utrecht en Wenen
De Duitsche Orde onder de grootmeester in Mergentheim werd eveneens door Napoleon opgeheven en ook dat besluit werd teruggedraaid. In Wenen herleefde de Duitsche Orde als adellijke instelling onder de vleugels van de Habsburgse keizers. Na de Eerste Wereldoorlog veranderde deze Orde fundamenteel van karakter. Adeldom was niet langer een toetredingscriterium en de grootmeester (Hochmeister) was niet langer een Habsburger. Het werd een zuiver geestelijke orde. In 1938 werd deze door Hitler verboden, maar herstel volgde in 1945. Sinds 1965 wordt het werk van de Orde in Duitsland ondersteund door familiaren, leken die zich betrokken voelen. Tussen Wenen en Utrecht bestond sinds de Napoleontische tijd geen enkele relatie meer, maar de laatste jaren zijn er weer contacten. In 2015 bezocht de toenmalige Hochmeister Bruno Platter de Utrechtse landcommanderij.